Alsof het niets was

Nog geen beoordelingen
Het begon onschuldig. Een warme ochtend, een leeg strand en een man die niets deed… behalve aanwezig zijn. Totdat ik merkte dat ik bleef kijken. Dat mijn handen bleven. En dat sommige grenzen niet verdwijnen — maar verschuiven, zonder dat je het doorhebt.
Facebook
Twitter
LinkedIn

Het was warm. Zo’n warmte die meteen blijft hangen zodra je uitstapt — alsof de lucht hier geen haast heeft om je los te laten.

De rit had lang geduurd. Te lang gezeten, te weinig bewogen. Mijn shirt plakte aan mijn rug, mijn benen voelden zwaar, maar tegelijk leek alles om me heen… trager. Rustiger. Alsof het Italiaanse leven zich niet aanpaste aan mij, maar mij dwong om mee te vertragen.

Behalve het praten.

Overal klonk het — snel, levendig, handen die meebewogen, stemmen die over elkaar heen vielen. En lichamen. Overal lichamen. Bruin, ontspannen, nauwelijks verhuld. Alsof niemand hier iets te verbergen had.

Ik merkte dat ik keek. Niet opvallend, hoopte ik. Maar genoeg om het zelf te voelen.

Mijn eigen kleding voelde ineens verkeerd. Te wijd. Te voorzichtig. Alsof ik mezelf had ingepakt terwijl alles hier juist… open was. En toch liet ik het zo.

De caravan stond sneller dan verwacht. Automatisch bijna. Terwijl wij bezig waren met poten, tassen en het rechtzetten van alles wat scheef stond, waren de kinderen al verdwenen richting het veldje. Gelach, geduw, rollen door het gras — alsof ze hier al dagen waren.

Ik bleef even staan toen we klaar waren.

Naast ons zat een stel.

Op het eerste gezicht niets bijzonders. Ouder. Zestig, misschien zeventig. Maar hoe langer ik keek, hoe minder het klopte met dat beeld. Ze waren verzorgd. Niet gemaakt, maar bewust. Alsof ze nog steeds aandacht hadden voor hoe ze bewogen, hoe ze erbij zaten.

Hij was slank, recht in zijn houding. Zij ook. Hun lichamen hadden geleefd, dat zag je. Maar er zat nog iets in wat niet was verdwenen.

Ze zeiden weinig. Kleine zinnen, korte blikken. Een hand die even op een schouder rustte. Niet opvallend. Maar genoeg om het te zien.

Ik draaide me weg, deed alsof ik nog iets moest doen. Maar mijn blik ging nog één keer terug.

Alsof ik iets had gezien wat niet helemaal voor mij bedoeld was.

Of misschien juist wel.

’s Avonds viel de warmte langzaam van de dag af. De kinderen lagen eindelijk op bed en voor het eerst was het stil. We zaten voor de caravan, twee stoeltjes, een fles wijn die al open was voordat we goed en wel zaten.

Aan de andere kant zaten zij ook.

Hans en Margriet, had ik eerder opgevangen.

Er werd wat geroepen. Kleine grapjes over en weer. Niets bijzonders, maar genoeg om de afstand kleiner te maken.

Hans stond als eerste op. Liep onze kant op met een vanzelfsprekendheid die bijna niet opviel.

“Mag ik?” vroeg hij.

Hij zat al voordat het echt een vraag was.

We praatten. Over de reis. Over de warmte. Over hoe alles hier net iets langzamer leek te gaan. Hij sprak rustig, nam zijn tijd, keek als hij luisterde.

Ik merkte dat ik naar hem keek.

Niet omdat het moest.

Maar omdat het vanzelf ging.

Even later kwam Margriet erbij zitten. Ze zei niets toen ze aanschoof, legde alleen haar hand kort op zijn schouder. Hij keek even op. Dat was alles.

Maar ik zag het.

En ergens, zonder dat ik precies wist waarom, bleef dat moment hangen.

Het gesprek ging door. Luchtig. Makkelijk. Alsof het vanzelf liep.

Maar ondertussen werd ik me steeds bewuster van mezelf.

Hoe ik zat.
Hoe mijn benen lagen.
Hoe mijn huid nog steeds warm was, ook zonder zon.

En af en toe — zonder dat ik het wilde — gleed mijn blik naar hem.

De avond werd zachter. Donkerder.

En ergens tussendoor voelde ik het weer.

Niet de warmte van de dag.

Maar iets dat van binnen kwam.

En bleef.

Hans bleek al even met pensioen. Dat vertelde hij bijna terloops, alsof het niets bijzonders was. Alsof het gewoon een volgende fase was, niet iets waar je bij stil hoefde te staan.

“Altijd in de petrochemie gezeten,” zei hij, terwijl hij zijn glas iets draaide in zijn hand. “Olie, raffinaderijen… dat werk. Overal wel een keer geweest.”

Hij zei het zonder opscheppen. Meer als iemand die het zelf ook nog eens langs zag komen terwijl hij het vertelde.

Het ene verhaal liep bijna ongemerkt over in het andere. Havens, installaties, landen waarvan ik de namen kende maar me nooit echt iets had voorgesteld. Het klonk groot, ver weg — en tegelijk heel dichtbij, omdat hij het zo rustig bracht.

Alsof het allemaal logisch was.

“Italië is dan eigenlijk gewoon om de hoek,” zei hij met een kleine glimlach. “Vergeleken met waar ik gezeten heb.”

Ik knikte. Zei iets terug. Ik weet niet eens meer wat.

Want terwijl hij praatte, merkte ik dat mijn aandacht verschoof.

Niet alleen naar wat hij vertelde.

Maar naar hem.

De manier waarop hij sprak. Rustig. Geen haast. Alsof hij wist dat je toch wel bleef luisteren. Zijn stem die nergens druk op legde, maar toch bleef hangen. En af en toe — zonder dat ik het meteen doorhad — gleed mijn blik naar zijn mond.

Hoe de woorden daar vandaan kwamen.

Hoe vanzelf het leek.

Ik slikte even, nam een slok van mijn wijn, iets te snel misschien.

Jeetje… doe normaal.

Ik dwong mezelf om weg te kijken. Even naar mijn glas. Naar de tafel. Naar iets anders.

Maar een paar seconden later zat ik er weer.

Alsof mijn aandacht niet helemaal van mij was.

Ik lachte op een moment dat hij iets zei. Net iets te laat misschien. Of juist te snel. Ik wist het niet eens meer precies.

Valt dit op?

Die gedachte kwam ineens, scherp.

Ik voelde hoe ik rechter ging zitten. Alsof dat iets oploste. Alsof ik mezelf daarmee weer terug kon trekken naar waar ik hoorde te zijn.

Maar ergens… lukte dat niet helemaal.

Want terwijl hij verder vertelde, zonder iets te veranderen aan zijn toon, zonder mij ook maar één keer bewust aan te kijken…

bleef ik luisteren.

En kijken.

En hopen dat niemand zag hoe makkelijk ik daarin werd meegenomen.

Die nacht sliep ik onrustig.

Of het de warmte was, de wijn, of gewoon de avond die nog in mijn lijf zat, wist ik niet. Ik werd een paar keer wakker, draaide me om, schoof het laken van me af en trok het daarna weer half over me heen. Het voelde alsof mijn lichaam nog niet helemaal begreep dat het mocht ontspannen.

Toen het licht langzaam door de caravan kroop, gaf ik het op.

De kinderen waren al wakker, onrustig zoals altijd op een nieuwe plek. Even later verdwenen ze richting de animatie. Hun stemmen nog even hoorbaar, daarna weg.

Mijn vriend draaide zich nog eens om. Half slapend, half weg.

Ik bleef even zitten. Luisterde naar de stilte die terugkwam.

Ik ga even naar het strandje, dacht ik.

Gewoon even weg. Even alleen.

Toen ik naar buiten liep, stond hij daar.

Alsof het erbij hoorde.

Hans.

In een korte broek, net iets strakker dan ik had verwacht. Niet overdreven, maar genoeg om het te zien. Zijn houding nog steeds recht, zijn bewegingen rustig, alsof hij al helemaal wakker was terwijl de rest van de camping nog op gang moest komen.

“Goedemorgen,” zei hij. “Ik ga even hardlopen, voordat het te warm wordt.”

Ik knikte. Glimlachte.

“Ik ga even naar het strand hier verderop,” hoorde ik mezelf zeggen. “Vlak bij de strandwacht toren.”

Ik wist niet waarom ik het zo precies zei.

Alsof het ergens vandaan kwam zonder dat ik het bedacht had.

Hij knikte alleen. Geen verdere vraag, geen opmerking. Gewoon… registreren.

Ik liep door.

maken, maar het voelde nog net aangenaam. Ik legde mijn handdoek neer, ging liggen en sloot even mijn ogen.

De warmte kroop langzaam in mijn huid. Mijn gedachten dreven een beetje weg. Niets concreets. Alleen dat lichte, zwevende gevoel dat je soms hebt als je nergens hoeft te zijn.

Tijd bestond even niet.

Totdat iets mijn aandacht trok.

Niet hard. Niet duidelijk.

Gewoon… aanwezigheid.

Ik opende mijn ogen half, draaide mijn hoofd iets en zag hem in mijn ooghoek.

Hans.

Hij kwam aanlopen, rustig, zonder haast. Alsof hij precies wist waar hij heen ging. Zijn huid glansde licht van het zweet, donkerder dan de mijne, bruiner. Het viel me op hoe vanzelfsprekend hij zich bewoog, hoe weinig hij leek na te denken over hoe hij eruitzag.

“Veel te warm om te lopen,” zei hij, bijna terloops.

Hij ging naast me liggen. Niet te dichtbij. Niet te ver.

Gewoon… naast me.

Ik voelde ineens hoe mijn eigen huid contrasteerde met de zijne. Lichter. Zachter misschien. Of kwetsbaarder. Mijn hand gleed automatisch even over mijn arm, alsof ik mezelf opnieuw voelde.

We zeiden even niets.

Alleen de zon. Het water op de achtergrond. Iemand die verderop iets riep.

En hij, naast me.

Niet storend.

Niet opdringerig.

Maar aanwezig genoeg om alles net iets anders te laten voelen.

Ik draaide mijn hoofd een fractie zijn kant op, zonder dat het opviel — hoopte ik.

En daar was het weer.

Datzelfde, lichte gevoel van gisteren.

Alleen… nu dichterbij.

Hij bleef even liggen, alsof hij de warmte eerst wilde laten zakken in zijn lichaam. Daarna kwam hij overeind, pakte iets uit zijn tas en draaide het dopje los.

De geur kwam eerder dan dat ik zag wat het was.

Geen zonnebrand. Geen die bekende, scherpe lucht. Dit was zachter. Warmer.

Kokos.

“Ik gebruik kokosolie,” zei hij, terwijl hij wat in zijn hand liet lopen. “Word ik lekker bruin van.”

Hij zei het bijna achteloos, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Ik keek.

Of beter gezegd — ik betrapte mezelf erop dat ik keek.

De manier waarop zijn handen over zijn schouders gleden, langzaam, zonder haast. Hoe hij de tijd nam. Niet bewust verleidelijk, niet overdreven… maar juist daardoor.

Mijn blik bleef hangen.

Te lang.

Waar ben ik mee bezig…

Ik draaide mijn gezicht iets weg, alsof dat genoeg was om het te stoppen. Maar het beeld bleef. De geur ook. Zacht, maar aanwezig.

En toen brak hij de stilte.

“Zal ik jouw schouders even doen?” zei hij. “Met zonnebrand. We willen natuurlijk niet dat je verbrandt.”

Het klonk praktisch. Logisch bijna.

Ik wilde nog iets zeggen. Iets normaals. Maar het kwam er niet echt uit. Alleen een half antwoord, iets dat leek op een “ja” zonder dat ik het echt had besloten.

En voordat ik er verder over na kon denken, voelde ik zijn handen.

Warm.

Rustig.

Ze begonnen bij mijn schouders, precies zoals hij had gezegd. Niets bijzonders. Gewoon insmeren. Functioneel.

Er gebeurt niets, hield ik mezelf voor.

Maar die gedachte kwam te snel.

Alsof ik hem nodig had.

Alsof ik iets moest rechtpraten wat nog niet eens was gebeurd.

En juist dat maakte het vreemd.

Want als het echt niets was… waarom voelde het dan alsof ik mezelf moest overtuigen?

Zijn handen bleven bewegen. Langzaam. Aandachtig. Alsof hij geen haast had om ergens te komen. Alleen om er te zijn.

Mijn rug, mijn schouders… en zonder dat hij het vroeg, zonder dat ik het tegenhield, ging hij verder.

Naar beneden.

Over mijn zij.

Mijn benen.

Ik voelde hoe mijn adem iets veranderde. Niet zichtbaar. Hoopte ik. Maar genoeg om het zelf te merken.

Ik lag stil.

Alsof bewegen het moment zou breken.

Of misschien juist zou bevestigen wat ik nog steeds probeerde weg te duwen.

Dit is normaal, dacht ik nog.

Maar ergens wist ik al…

dat het dat niet helemaal meer was.

Ik bleef nog even liggen toen zijn handen stopten, alsof mijn lichaam net iets langer nodig had om te beseffen dat het moment voorbij was, terwijl de warmte van zijn aanraking nog zacht bleef hangen op mijn huid, langzaam vervagend maar niet helemaal verdwenen.

Hij ging weer naast me liggen, ontspannen, zonder iets te zeggen, alsof het niets bijzonders was geweest, alsof dit soort momenten vanzelfsprekend waren, en juist dat maakte dat ik er moeilijker los van kwam.

Ik draaide mijn hoofd iets zijn kant op en zag hoe de zon zijn huid liet glanzen, hoe die lichte geur van kokos nog om hem heen hing en zich mengde met de warmte van de ochtend.

Mijn blik bleef hangen bij zijn rug.

Breder dan ik had verwacht, rustig, zonder spanning, alsof alles daar gewoon… klopte.

Voor ik er echt over nadacht, hoorde ik mezelf zeggen:

“Zal ik… jouw rug doen?”

De woorden kwamen er zachter uit dan bedoeld, bijna alsof ze eerst langs mijn eigen twijfel moesten voordat ze hem bereikten.

Hij keek kort mijn kant op, zonder verrassing, zonder aarzeling, en knikte alleen.

“Als je wil.”

Ik kwam overeind, pakte het flesje uit zijn hand en voelde meteen het verschil — lichter, dunner — terwijl mijn handen een fractie van een seconde bleven hangen boven zijn huid, alsof ik mezelf nog één moment gaf om terug te trekken.

Dit is normaal, hield ik mezelf voor.

En toen raakte ik hem aan.

Voorzichtig.

Alsof ik eerst moest voelen waar ik was.

Mijn handen vonden zijn schouders, warm van de zon, en bleven daar heel even rusten voordat ik begon te bewegen, langzaam, zonder haast, terwijl de olie zich moeiteloos over zijn huid verspreidde en mijn aanraking vanzelf volgde.

Mijn aandacht verschoof ongemerkt naar dat ene punt — naar hoe het voelde onder mijn handen, naar hoe weinig weerstand er was, hoe ontspannen alles bleef — en ergens besefte ik dat ik mijn adem inhield zonder dat ik het doorhad.

Niet meer bezig met de omgeving.

Niet met de zon.

Alleen met dit.

En met hem.

En opnieuw kwam die gedachte, bijna automatisch:

Er gebeurt niets.

Alleen voelde dat nu anders.

Minder als een constatering.

Meer als iets dat ik mezelf moest blijven vertellen.

k liet mijn handen verder zakken, langs zijn onderrug naar zijn benen, zonder dat ik er echt bij stilstond, alsof mijn lichaam het gewoon overnam van mijn gedachten, terwijl de olie zich moeiteloos verspreidde en mijn beweging steeds vanzelfsprekender werd.

Onder mijn handen voelde alles… ontspannen.

Niet slap, niet leeg — maar gedragen. Alsof hij zich volledig liet gaan in wat er gebeurde, zonder iets vast te houden. Mijn vingers volgden de lijnen van zijn benen, langzaam, met een aandacht die ik niet helemaal kon verklaren.

En toen voelde ik het.

Niet direct onder mijn handen, maar in hoe hij bewoog.

Klein.

Bijna onmerkbaar.

Zijn heupen verschoven iets, alsof hij niet helemaal wist hoe hij moest liggen. Alsof er iets in de weg zat, of niet helemaal paste bij de houding waarin hij zich had neergelegd.

Ik stopte niet meteen.

Maar ik merkte het wel.

Mijn handen bleven bewegen, maar mijn aandacht verschoof. Naar dat kleine ongemak. Naar hoe zijn lichaam reageerde zonder dat hij er iets over zei.

“Je mag je wel even omdraaien,” hoorde ik mezelf zeggen, bijna luchtig. “Anders is het zo half werk.”

Het klonk praktisch.

Alsof het alleen daarom ging.

Hij aarzelde een fractie van een seconde.

Niet lang.

Maar genoeg om het te voelen.

Toen draaide hij zich om.

Langzaam.

En op dat moment begreep ik waarom.

Mijn blik bleef een tel hangen, langer dan nodig was, voordat ik mezelf weer terughaalde naar wat ik aan het doen was. Naar mijn handen. Naar de olie. Naar het ritme dat ik net nog had.

Ik ging door.

Alsof er niets veranderd was.

Maar alles was anders.

De lucht voelde zwaarder. Dichter. Alsof de ruimte tussen ons kleiner was geworden zonder dat we dichter bij elkaar lagen.

Mijn handen bewogen nog steeds rustig, gecontroleerd, maar ergens daaronder zat iets nieuws. Iets dat er net nog niet was.

Niet groot.

Niet uitgesproken.

Maar aanwezig genoeg om het niet meer weg te kunnen denken.

En voor het eerst sinds ik hem had aangeraakt, wist ik niet meer zeker of ik dit nog alleen voor hem deed.

Toen ik weer opkeek, zag ik dat hij zijn ogen gesloten had, met diezelfde kleine glimlach rond zijn mond, alsof hij zich volledig had overgegeven aan het moment zonder er iets van te maken.

Het strand om ons heen lag nog stil en beschut, de geluiden op afstand, niemand die echt keek — en juist dat besef gaf ruimte, of misschien nam ik die zelf.

Mijn handen bewogen verder, langs zijn buik, rustig en ogenschijnlijk achteloos, maar mijn aandacht zat allang niet meer bij de handeling zelf; mijn blik bleef hangen, net iets te lang, en ik merkte het meteen — die subtiele spanning onder de stof van zijn zwembroek, nauwelijks zichtbaar, maar voor mij onmiskenbaar.

Iets in mij reageerde daarop.

Niet heftig, niet overdreven, maar genoeg om te voelen dat dit allang niet meer alleen maar insmeren was.

Wat ben ik aan het doen…

De gedachte kwam, maar verdween net zo snel weer naar de achtergrond, verdrongen door iets anders — nieuwsgierigheid, misschien, of een lichte opwinding die zich niet liet wegduwen.

Mijn handen gleden verder, nog steeds rustig, terwijl mijn vingers af en toe net iets dichter langs de rand van zijn zwembroek kwamen dan nodig was, niet helemaal bewust, maar ook niet meer toevallig.

Ik voelde hoe hij daarop reageerde, klein, bijna onzichtbaar — zijn buik die zich even aanspande, zich een fractie inhield, alsof hij ruimte maakte zonder het te willen laten zien.

Ik slikte, liet mijn blik kort over het strand gaan — niemand.

Alleen wij.

En juist dat maakte dat mijn handen vertraagden, net iets langer bleven hangen, de grens opzochten zonder hem echt over te gaan, alsof ik wilde voelen waar die lag… en hoe dicht ik erbij kon komen zonder dat iemand het zag.

Misschien zelfs zonder dat hij het doorhad.

Mijn handen bleven nog even hangen, net onder die rand waar ik de grens al een paar keer voorzichtig had opgezocht, terwijl ik heel goed wist dat ik hier nog kon stoppen, dat dit het moment was waarop ik mezelf nog terug kon halen.

Maar dat deed ik niet.

Langzaam liet ik mijn hand verder glijden, zonder haast, zonder duidelijke beslissing, alsof het eerder gebeurde dan dat ik het bewust deed.

Zijn reactie voelde ik meteen onmiskenbaar — terwijl zijn ademhaling veranderde en zwaarder werd, minder gelijkmatig, alsof zijn lichaam sneller doorhad wat er gebeurde dan hijzelf ooit zou toegeven.

Ik hield mijn beweging gecontroleerd, rustig, bijna ingehouden, alsof ik het klein wilde houden, alsof dat nog iets uitmaakte, alsof het daardoor nog ergens binnen de grenzen bleef.

Maar dat was het al niet meer.

De stilte om ons heen werd zwaarder, alsof alles even stil stond behalve dat ene ritme onder mijn hand, dat zich langzaam opbouwde zonder dat er woorden nodig waren.

Ik voelde hoe hij zich steeds meer liet gaan, zonder dat hij iets zei, zonder dat hij bewoog, alleen dat subtiele meebewegen van zijn lichaam dat alles verried.

Mijn blik gleed even naar de horizon, alsof ik mezelf daar nog ergens kon terugvinden, maar mijn hand bleef, mijn aandacht ook.

Totdat het moment kantelde.

Niet luid, niet zichtbaar voor een ander, maar duidelijk genoeg om het niet te kunnen negeren.

Zijn lichaam spande zich kort aan en liet daarna los, volledig, terwijl ik nog even bleef zitten, mijn hand stil, alsof ook ik moest landen in wat er net gebeurd was.

Daarna trok ik me langzaam terug, zonder haast, alsof ik daarmee kon doen alsof het niets was geweest.

Maar dat was het niet.

Laat me weten wat je er van vind

Ik vind het leuk om te weten of mijn verhalen goed zijn.
Laat het weten in de reacties of geef een aantal sterren. Hier leer ik van en moedigt mij aan om meer of beter te schrijven.

(Privacy staat hier hoog in het vaandel, op geen manier worden ingevulde gegevens gepubliceerd of gebruikt. Het is bedoeld om spam en ongewenst gedrag tegen te gaan).

Hoeveel sterren geef jij dit verhaal?






de meest populaire verhalen

Andere verhalen voor Haar

Een vrije dag, eindelijk samen — zonder haast, zonder afleiding. Wat begint als een onschuldig dagje dierentuin, verandert langzaam in iets anders. Iets wat niet hoort. Niet daar. Niet tussen al die mensen. Maar juist dat… maakt het onmogelijk om te stoppen.
Wanneer Nova ziet hoe een man langzaam verdwijnt in zijn relatie, ontstaat er een stille verbinding die alles verandert. Een verhaal over gezien worden, verlangen en herkenning.
Tijdens een onschuldige borrel raakt een vrouw verzeild in een spannend machtsspel met een man die niet haar type is. Wat begint als plagerij, groeit uit tot een geladen ontmoeting vol controle, verlangen en overgave.
Een sensueel, psychologisch geladen verhaal over Miranda, die na een relatiebreuk onverwacht verstrikt raakt in een verboden verlangen. Vol spanning, vrouwelijke regie en verleiding buiten de lijnen. Lees het op NovaDream.nl.
Een suggestief verhaal over huisgenoten, Netflix en een vrijdagavond die anders eindigt dan verwacht. Over stilte, spanning en gezien worden.
Ze mist niets. En toch knaagt er iets. Een avond die onschuldig begint — tapas, cocktails, herinneringen — schuift langzaam op naar een spel dat ze jaren niet meer heeft gespeeld. Blikken. Macht. Gekozen worden. Dit is geen verhaal over tekort. Dit is een verhaal over verlangen dat te lang is genegeerd. En over de vraag: wat gebeurt er als je jezelf weer durft toe te laten?
Een ontmoeting met Miranda laat haar verlangen verschuiven. Een subtiel, sensueel verhaal over vrouwelijke aantrekkingskracht en ontwakend bewustzijn.
Een intiem verhaal over vrouwelijke sensualiteit, controle en de kracht van subtiele verleiding. In "Net te laat thuiskomen" volgt de lezer Miranda, die in het holst van de nacht ontdekt dat haar vriend niet alleen thuiskomt. Wat begint als argwaan, groeit uit tot een onverwacht spel van macht en opwinding.

🔥 Als eerste genieten van nieuwe verhalen? 🔥

Laat je niet verrassen… tenzij je daarvan houdt. 😉 Ontvang als eerste updates over onze nieuwste, meest prikkelende verhalen en exclusieve content.

👉 Volg ons op social media en mis geen enkel ondeugend avontuur!